Kiki en André zijn allebei relatief nieuw op hun huidige school: Kiki als directeur van het Baanderherencollege en André als directeur van het Cambium College. Met Sterk Techniekonderwijs zijn ze al langer bekend. Beiden werkten eerder in andere regio’s waar STO een plek had binnen hun school en bestuur. Die ervaring nemen ze nu mee naar Noordoost-Brabant. Ze stappen daarmee niet blanco in. Wel komen ze terecht in een grote regio waarin op veel plekken tegelijk wordt ontwikkeld, samengewerkt en geëxperimenteerd. Juist dat maakt de eerste periode interessant: ontdekken wat er al gebeurt, waar verbindingen liggen en welke volgende stap nodig is. “Je stapt echt in een rijdende trein”, vertelt André. “In elke regio zijn de thema’s vergelijkbaar, maar de inrichting en de accenten verschillen. Het eerste wat je doet, is dus goed kijken: wat gebeurt hier precies?”
Een grote regio vraagt om actief aanhaken
Voor Kiki is het verschil met haar eerdere ervaring in West-Brabant direct merkbaar. Daar werkte een kleinere groep vmbo-scholen samen met het mbo en regionale bedrijven. De lijnen waren kort en directeuren zaten dicht op de voortgang van projecten. “In zo’n kleinere regio neem je elkaar makkelijker de maat”, vertelt ze. “Je weet wat er is afgesproken en wie waar mee bezig is. Hier is de regio veel groter. Daardoor kun je ook wat makkelijker anoniem blijven als je daar niet bewust op let.”
Dat herkent André. Voor het Cambium College, dat geografisch aan de rand van de regio ligt, is zichtbaarheid daarom een belangrijk aandachtspunt. De school wil nadrukkelijker aansluiten bij wat er binnen Het Techniek Loket gebeurt en tegelijkertijd zelf actiever bijdragen. “Wij noemen dat intern een beetje STO 2.0”, zegt André. “De afgelopen periode waren we wat minder zichtbaar. Dit schooljaar hebben we een frisse start gemaakt. Wat we beloven, willen we ook echt doen. Er is voor ons veel te halen in het netwerk, maar we hebben zelf ook genoeg te brengen.”
Van ontwikkelen naar daadwerkelijk gebruiken
Wanneer Kiki en André naar de hoeveelheid initiatieven binnen de regio kijken, zien ze veel waardevolle ontwikkelingen. Er zijn challenges, lesbrieven en projecten rond de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd komt daarmee een nieuwe vraag op tafel: hoe zorg je ervoor dat ontwikkeld materiaal uiteindelijk ook echt onderdeel wordt van het onderwijs? Iedere school organiseert techniekonderwijs op een eigen manier. Een challenge die op de ene plek direct in het curriculum past, vraagt elders om aanpassingen. Precies daar ziet André een belangrijk aandachtspunt.
“Er wordt prachtig materiaal gemaakt en er wordt echt gezocht naar de verbinding tussen PO en VO. Maar je moet ook blijven kijken waarvoor je iets ontwikkelt. Is het uiteindelijk bruikbaar voor scholen in de regio en krijgt het daar een plek? Dat gesprek vind ik belangrijk.” De volgende fase draait volgens hem daarom minder om zoveel mogelijk nieuwe ideeën toevoegen en meer om kijken wat werkt, waar scholen behoefte aan hebben en hoe bestaande ontwikkelingen verder gebracht kunnen worden.
Wat blijft er over als de projectperiode voorbij is?
Die vraag raakt aan een onderwerp dat Kiki en André vanuit eerdere STO-regio’s goed herkennen: borging. Sterk Techniekonderwijs heeft dankzij extra middelen veel mogelijk gemaakt. Scholen kregen ontwikkeltijd, nieuwe netwerken ontstonden en er kwam ruimte om samen met bedrijven activiteiten op te zetten. De uitdaging voor de komende jaren is om ervoor te zorgen dat die beweging niet volledig afhankelijk blijft van projectmiddelen.
“Hoe bouwen we het netwerk zo op dat het over vier jaar nog steeds staat?”, vraagt Kiki zich af. “Doen we de challenges dan nog? Zijn de contacten er nog? Hoe zorg je ervoor dat wat nu ontstaat ook echt onderdeel wordt van hoe je als school werkt?” Voor haar zit daar een belangrijke opdracht voor de huidige programmaperiode. Goede projecten verdienen een vervolg, maar dat gebeurt alleen wanneer scholen eigenaarschap nemen en activiteiten structureel een plek krijgen.
Bedrijven betrekken vraagt om verschillende routes
Ook de samenwerking met het bedrijfsleven speelt daarin een grote rol. Kiki ziet dat vooral grotere bedrijven relatief gemakkelijk aansluiten. Zij beschikken vaker over tijd, mensen en middelen om langere tijd in onderwijs samen te werken. Voor een kleiner technisch bedrijf ligt dat anders. “Bij de loodgieter om de hoek kan ontzettend veel kennis zitten en die kan misschien een mooie gastles of stage aanbieden. Maar zo’n samenwerking hangt vaak sterk aan één persoon. Dat maakt het kwetsbaarder.”
Daarbij vraagt investeren in jongeren om een lange adem. Een bedrijf dat vandaag vacatures heeft, ziet de leerling die het op school ontmoet meestal pas jaren later terug op de arbeidsmarkt. Voor kleinere bedrijven is het daardoor lastiger om tijd vrij te maken voor iets waarvan het resultaat niet direct zichtbaar is. Juist binnen een regionaal netwerk kan volgens Kiki gezocht worden naar vormen die beter aansluiten bij wat verschillende bedrijven aankunnen. Zo wordt samenwerken met het onderwijs niet uitsluitend iets voor organisaties met een grote HR- of communicatieafdeling.
Techniek steeds breder bekijken
Een ontwikkeling waar Kiki en André veel kansen in zien, is de verbreding van techniek en technologie binnen scholen. Techniek hoeft daarbij niet uitsluitend gekoppeld te zijn aan de bekende technische profielen. Kiki wil binnen het Baanderherencollege en de scholengroep nadrukkelijker verbindingen leggen met andere vakgebieden en onderwijsniveaus. Zorg is daar een duidelijk voorbeeld van. “Technologie zit inmiddels overal. Ik wil graag dat ook collega’s binnen zorg denken: hier hebben wij iets aan. Tot nu toe vond veel vooral plaats binnen de traditionele techniekprofielen. Daar mogen we echt breder naar gaan kijken.”
Ook praktijkonderwijs krijgt daarin nadrukkelijk aandacht. Kiki sluit dit schooljaar aan bij de ontwikkelgroep rond praktijkonderwijs en wil daar eerst scherp krijgen wat de gezamenlijke ambitie is. “Drie keer per jaar bij elkaar zitten en uitwisselen wat iedereen doet, is voor mij niet genoeg. Wat willen we met elkaar bereiken? Waar werken we naartoe? Als dat duidelijk is, wordt samenwerken ook veel interessanter.”
Ook de mavo komt dichter bij de praktijk
André ziet daarnaast dat de theoretische leerweg steeds sterker aansluit bij ontwikkelingen binnen STO. De praktijkgerichte programma’s op de mavo zorgen ervoor dat leerlingen vaker met echte opdrachten en bedrijven werken. Dat vraagt soms om expertise, materialen of faciliteiten die een mavo-afdeling zelf niet heeft.
Daar ontstaan nieuwe verbindingen binnen scholen. Een mavoleerling kan bijvoorbeeld gebruikmaken van een praktijklokaal binnen basis en kader of aansluiten bij een bedrijf dat al onderdeel is van het netwerk van de technische profielen. “Die leerlingen zijn theoretischer opgeleid, terwijl ze voor het bedrijfsleven juist een interessante doelgroep zijn”, legt André uit. “Door ze meer van de praktijk te laten zien, krijgen ze ook een veel completer beeld van de wereld achter techniek.” Dat bredere beeld helpt bovendien om het hardnekkige idee los te laten dat techniek vooral draait om fysiek werk. Technologische ontwikkelingen lopen door sectoren en opleidingsniveaus heen. Van praktijkonderwijs tot vwo zijn er leerlingen die later een rol kunnen spelen binnen technische bedrijven.
Samenwerking wordt sterker wanneer doelgroepen elkaar ontmoeten
Voor bedrijven kan juist die breedte aantrekkelijk zijn, merkt Kiki. Binnen een scholengroep komen verschillende onderwijsniveaus samen en daarmee ook verschillende toekomstige functies. Een organisatie heeft over een aantal jaar misschien behoefte aan vakmensen op de werkvloer, maar net zo goed aan engineers, werkvoorbereiders of technisch opgeleide hbo’ers. Door onderwijs en bedrijfsleven rondom techniek breder met elkaar te verbinden, ontstaat een realistischer beeld van hoeveel routes de sector eigenlijk biedt. Het geeft scholen tegelijkertijd de kans om praktijk en theorie dichter bij elkaar te brengen. Leerlingen die sterk theoretisch zijn, krijgen meer zicht op de werkvloer. Praktisch ingestelde leerlingen zien welke vervolgstappen er vanuit hun vakmanschap mogelijk zijn.
Dit schooljaar: zichtbaar worden en verbreden
Voor André ligt de focus de komende periode vooral op goed aansluiten bij de regionale samenwerking. Het Cambium College wil zichtbaarder worden binnen Het Techniek Loket en actief deelnemen aan ontwikkelingen die voor de school en de regio relevant zijn. Bij Kiki ligt het accent op de verbinding binnen de eigen scholengroep en de verbreding van technologie naar andere profielen en niveaus. Daarbij wil ze ook resultaatgerichter kijken naar de inzet die vanuit STO beschikbaar is: welke uren zijn er, wat gaan collega’s ermee doen en wat moet dat uiteindelijk opleveren? Beiden nemen eerst de tijd om goed te begrijpen wat er al staat. De ambitie om daarna door te pakken is er duidelijk.
En misschien is juist dat de meerwaarde van twee mensen die nieuw binnenkomen, maar het programma al kennen. Ze zien hoeveel er al gebeurt en hoeven niet opnieuw uit te vinden waarom Sterk Techniekonderwijs belangrijk is. Hun blik gaat meteen een stap verder: hoe brengen we bestaande initiatieven bij elkaar, hoe bereiken we meer leerlingen en bedrijven en hoe zorgen we ervoor dat wat nu wordt opgebouwd straks gewoon onderdeel is van goed techniekonderwijs?


